Menü:

 

Taal:

  Nederlands

  Deutsch

  English

     Magyar 

Contact:

info@vanclooster.com

    +43 (0)681 1057 38 44    +32 (0)486 72 48 29    +36 (0) 705 41 90 33

 

Dissertatie

Links

Dissertatie

 

In mijn dissertatie wordt de poëtica van Stijn Streuvels onderzocht. Na een theoretisch hoofdstuk over de term poёtica en over de mogelijkheden en grenzen van literatuurgeschiedschrijving, wordt een literair-historische zoektocht ondernomen vanuit een drievoudig standpunt. Aan de hand van 1) het literaire werk, 2) receptie-onderzoek en 3) auteursuitspraken, tracht ik mijn centrale hypothese te staven dat Streuvels de vertegenwoordiger was van een ‘synthetische’ poëtica: een literatuuropvatting die de synthese bracht van twee al bestaande, en wel in se tegengestelde, poёtica´s: het realisme/naturalisme enerzijds en het symbolisme anderzijds. Daarbij is een onderliggende hypothese dat Streuvels´ poёtica en werk net wegens het synthetische karakter door de Van Nu en Straks´ers ‘modern’ werden bevonden. Dat ‘moderne’ aspect werd in de kritiek en literatuurgeschiedenis te weinig waargenomen.

Een sprekend citaat uit een brief van Streuvels aan Emmanuel de Bom wijst op zijn onvrede daarover:



De gazetjes heeten me een fatalist (!) die dingen beschrijft waarover men in een deftig gezelschap (altijd het “deftig gezelschap”) niet zou durven spreken… van geile wijven – en kwetsen der kieschheid der lezers enz. enz. terre-à-terre!! zonder ideaal leven – ´t is ook bezonder slecht gevallen dat de Pastor… een zeemende stem heeft (alsof ik dat kon gebeteren!!!.)


Streuvels aan De Bom, 1-6-1899


Het citaat stelt Streuvels´ onvrede met de literaire kritiek in het licht. Mijn proefschrift toetst die onvrede dus aan Streuvels´ literaire werk zelf, de historische ontvangst daarvan en poëticale uitspraken die de auteur deed. Via deze wegen heb ik mijn hypothese onderzocht, die luidde dat de categorisering van Streuvels´ werk onder de noemer ´realisme´ of ´naturalisme´ te beperkend is.

Bij het bewandelen van elk van de genoemde wegen loeren voor de poёtica-onderzoeker gevaren om de hoek. De behoedzaamheid die hij aan de dag dient te leggen, heeft essentieel te maken met het feit dat het onderzoek naar de poёtica van een auteur een zoektocht is naar een ideeёnwerkelijkheid (en geen feitelijke realiteit), waardoor het resultaat nooit meer kan opleveren dan een reconstructie, die tot stand gekomen is op basis van interpretatie en die altijd hypothetisch zal zijn. Omdat hij nooit echt definitief de hand zal kunnen leggen op wat hij zoekt, zal ook de methode die de onderzoeker heeft gehanteerd steeds vatbaar zijn voor kritiek – zie je wel, zou de lezer van mijn proefschrift kunnen oordelen, ´hij heeft het niet gevonden´. Zo zou men mij kunnen aanwrijven dat ik gebruik heb gemaakt van bronnen met verschillende status. Om mijn betoog te staven heb ik inderdaad gebruik gemaakt van heel erg uiteenlopende bronnen. Van den Akker heeft in zijn klassieke proefschrift over de poёtica van Nijhoff verschillende malen uitdrukkelijk gewezen op het gevaar dat daarbij komt kijken, en specifiek bij het gebruik van werkexterne uitspraken: ´Opvallend is dat de meeste onderzoekers die met versexterne uitspraken werken, weinig of geen aandacht schenken aan verschillen in status van het gebruikte materiaal. Zo vergelijkt Goth de poёtica van Rilke en Valéry op basis van ongelijksoortige documenten: bij Rilke put zij voornamelijk uit diens uitgebreide correspondentie, terwijl haar betoog over Valéry zich baseert op diens essays. […] [D]e ongelijksoortige status van het materiaal (particulier versus openbaar) [zou] de onderzoeker tot principiële voorzichtigheid moet[en] manen.´1

Maar, zo luidt het verder ook, ´Ik wil hiermee niet zeggen dat een vergelijking om deze reden [dus wegens de ongelijksoortige status van het onderzoeksmateriaal] weinig zinvol zou zijn […]´.2

Het is mijn overtuiging dat de plausibiliteit – vanuit wetenschappelijk perspectief betekent dit de objectiviteit – van een literatuurhistorische hypothese juist toeneemt naarmate meer bronnen in het onderzoek worden betrokken. Dit meer bronnen houdt ook meer ongelijksoortige bronnen in. Er is immers geen enkele wetenschappelijk goede reden om bepaalde bronnen a priori uit te sluiten, welintegendeel – dit thema heb ik in het inleidende theoretische achtergrondhoofdstuk uitvoerig besproken. Dat briefwisseling een van de datarijke bronnen bij uitstek kan zijn, is in de literaire historiografie al lang geen geheim meer. Ook Sintobin heeft er in zijn onderzoek naar de poёtica van Streuvels ernstig gebruik van gemaakt3, en zelf heb ik eveneens uitvoerig correspondentiemateriaal bestudeerd. Bij de specifieke meerwaarde van brievenonderzoek heb ik even apart stilgestaan in de excursus over de poёtica van Van Nu en Straks, waarin ik probeerde de invloed van Ibsen op Vermeylens tijdschrift aan te tonen. Aandacht voor briefwisseling zal opnieuw blijken in het slotdeel van mijn boek (VI).


Precies omdat mijn onderzoeksmateriaal niet alleen kwantitatief omvangrijk is, maar ook uiteenlopend van aard, én omdat vele tekstgetuigen in dezelfde richting wijzen, heb ik het gewettigd gevonden een duidelijke conclusie te trekken: Streuvels is in de literatuurgeschiedenis inderdaad een te eenzijdige receptie ten deel gevallen, die geen recht doet aan de meerduidigheid en ambivalenties in zijn werk. Deze karakteristieken van zijn werk hebben essentieel te maken met zijn synthetische literatuurvisie, die impliceert dat in zijn werk twee in se tegengestelde poëtica’s samenkomen – het realisme/naturalisme en het symbolisme –, waardoor de auteur een van de eerste modernistische schrijvers uit Vlaanderens literatuurgeschiedenis kan worden genoemd en zijn werk uitmuntend aansluit bij het streven van het eerste modernistische tijdschrift uit onze letteren.4

Om dit laatste te kunnen staven, werd in hoofdstuk II uitvoerig de poëtica van bedoelde periodiek onder de loep genomen en werd de lectuur van Streuvels´ werk verderop beperkt tot de daarin opgenomen bijdragen. De in hoofdstuk IV bestudeerde tekstgetuigen uit latere tijdvakken ten slotte bevestigen de bevindingen uit het centrale hoofdstuk III.

Zo beschouwd, kan dit proefschrift worden gelezen als een onderzoek van of een tentatieve toelichting bij het hierboven gegeven citaat uit de briefwisseling Streuvels–De Bom. Het citaat in kwestie houdt kritiek in op de opvatting dat Streuvels´ werk louter realistisch zou zijn (´zonder ideaal leven´) en tegelijk ook kritiek op het standpunt dat literair werk realisme moet bannen. In Streuvels´ optiek moet literatuur juist noodzakelijkerwijze een realistische poot hebben. Hij had wel degelijk reёle situaties uitgebeeld, stelde hij, en als dat kritiek wekte, was het niet de literatuur die zich moest aanpassen (´alsof ik dat kon gebeteren´). Het boven aangehaalde citaat plaatst dus de waarschijnlijkheid als criterium voorop, waarbij hier de waarschijnlijkheid in referentiёle zin wordt bedoeld5: de kritiek heeft uitsluitend betrekking op de gerepresenteerde werkelijkheid, en bijvoorbeeld niet op Streuvels´ representatie, zijn narratieve structurering van feiten. Over dit laatste niveau lieten de critici zich zelden of nooit uit. Dat Streuvels zélf wel in staat was het onderscheid te maken, is een bewijs dat hij een stap verder stond in zijn literatuurbeschouwelijke denken.

Het tekstuele niveau was voor Streuvels zelf het belangrijkste – het enige eigenlijk wat voor hem telde. Daarom reageerde hij bijvoorbeeld slechts zelden op wat critici over zijn werk schreven. We hebben kunnen zien dat dit werk, zoals Streuvels´ woorden hierboven suggereren, een tweevoudig spoor volgt: het verenigt kritiek op de idealistische filosofie met idealistische componenten én het draagt zowel realistisch-naturalistische als symbolistische aspecten in zich. Over dit tweevoudige spoor heeft Tom Sintobin in zijn artikel over de poёtica van Streuvels geschreven dat ´Streuvels zich op een grens bevindt die je, met Sötemann (1985), eventueel de grens tussen een mimetische en een autonomistische poёticale traditie zou kunnen noemen, maar die evengoed kan worden beschreven als de grens tussen een klassieke literatuuropvatting [...] en een meer modernistische literatuuropvatting´.6 Binnen deze laatste zou er een grotere neiging zijn tot ´een beschouwing in de vertelling over het vertelde´7 – het schrijven zelf als typisch modernistische thema – waardoor dit soort œuvres wellicht eerder verleidt tot poёticale interpretaties.8

Het thematiseren van het schrijverschap is in het geval van Streuvels niet zo groot. Ook dit illustreert waarom men hem nog geen volbloed modernistisch auteur kan noemen. Zijn vertelkunst is nog sterk in de buitensubjectieve werkelijkheid gegrondvest. Echter: Streuvels beschrijft de buitenwereld (de natuur en de psyche van zijn personages), maar vervormt die ook. De beschrijving van de uiterlijke wereld wordt getransformeerd in iets nieuw-geziens; het zintuiglijk geziene wordt herschapen tot een nieuw beeld, dat uiteindelijk evenzeer zal wortelen in de uiterlijk-waargenomen werkelijkheid als in de subjectiviteit van de dichter, die het beeld oplaadt met elementen van iets dat deze heeft aangevoeld als een essentiёlere of universelere waarheid. Dit is wat onderzoekers wel het visionaire van Streuvels hebben genoemd. ´Streuvels beoefent de beschrijvende vertelling, maar daarbij vervormt hij de natuur´, aldus Jean Weisgerber, en: ´Streuvels beschouwt de roman als een vervormende spiegel. Hij toont de werkelijkheid in een gestileerde vorm´ en ´bevrijdt [...] zichzelf zowel van de onpartijdigheid der realisten als van de gedetailleerde verfijning der impressionisten. De waarneming gaat bij hem over in het visioen´.9 Daarmee kom ik uit bij het citaat dat ik bovenaan mijn dissertatie heb geplaatst.

1 Van den Akker, Een dichter schreit niet. A specten van M. Nijhoffs versexterne poëtica. Utrecht: Veen, 1985. Deel 1, p. 19.

2 Ibidem, p. 19.

3 Tom Sintobin, ´Het gebak dat een boek moet nabootsen´. Over werkinterne poёtica en auteursintentie´. In: Marcel De Smedt (red.), Over Jantje Verdure. Jaarboek XI van het Stijn Streuvelsgenootschap. Tielt: Lannoo, 2006, p. 91-126. Op p. 122-123 een expliciete beschouwing over het nut van briefwisseling in het poёtica-onderzoek, en specifiek dat m.b.t. Streuvels.

4 Ik verwijs naar mijn theoretische inleidende deel, waar ik duiding geef bij de termen ´modern/modernistisch´, ´realistisch/naturalistisch´ en ´symbolistisch´, zoals ik ze in dit proefschrift hanteer.

5 ´Waarschijnlijkheid in referentiёle zin´ betekent dat het criterium voor waarschijnlijkheid resp. waarheid vooral wordt gezocht in een buiten het literaire werk gesitueerde werkelijkheid. Vgl. Pieter Verstraeten, Het discours van de kritiek. Literaire kritiek in Vlaanderen tussen de twee wereldoorlogen: Joris Eeckhout, Urbain van de Voorde, Paul de Vree. Antwerpen/Apeldoorn: Garant, 2011, p. 134.

6 Sintobin, ´Het gebak dat een boek moet nabootsen´, p. 118.

7 Referentie van Sintobin aan Fokkema en Ibsch, ´Het gebak dat een boek moet nabootsen´, p. 118. Vergelijk ook met ´de conventie dat veel symbolistische poёzie over poёzie gaat´ (Dorleijn, gecit. in: Van den Akker, Een dichter schreit niet, p. 16.). Zie ook Van den Akkers eerdere aantekening over het feit dat modernistische poёzie vaak zichzelf tot onderwerp heeft: ´Een verklaring is gelegen in de poëzieconceptie zelf: het thematiseren van poëzie in poëzie kan worden gezien als een consequentie uit andere opvattingen. Wanneer het de dichter niet langer gaat om de expressie van emoties en zijn aandacht zich dientengevolge meer richt op de taal, dan is de stap naar het thematiseren daarvan in het gedicht zelf nog maar klein.´ Daarbij verwijst Van den Akker ook naar wat Sötemann daarover schreef: ´Het past meen ik volledig in deze kijk op de functie van de dichtkunst dat de reflectie op de mogelijkheden en de beperkingen van het werk van de dichter en van zijn produkten om zo te zeggen naar binnen slaat, en dat de poëzie tot haar eigen object wordt. Ik zei al dat de moderne dichter geobsedeerd is door het schrijfproces, door de mogelijkheden en de beperkingen van zijn gedichten.´ (Sötemann, ´Twee modernistische tradities´, p. 49.)

8 Het genoemde, in mijn inleidende theoretische hoofdstuk uitvoerig besproken artikel toont dit sterk aan. Sintobin geeft voorbeelden van passages uit o.m. ´Een ongeluk´, ´Wit leven´ en ´Het leven en de dood in de ast die volgens hem poёticaal te lezen vallen. Hij vraagt zich zelfs af of niet geheel Streuvels´ werk poёticaal te lezen valt, getuige een tussentitel in zijn stuk ´Een expliciet poёticaal oeuvre?´ (p.111). Het woord ´expliciet´ is hier wellicht niet zo gelukkig gekozen. In de context van poёtica-onderzoek heeft het traditioneel een specifieke betekenis (zie hoofdstuk I), terwijl hier eerder de betekenis ´geheel´ is bedoeld. Een poёtica trachten te distilleren uit de genoemde verhalen blijft immers een zoektocht naar een impliciet iets.

9 Jean Weisgerber, ´De oorsprong van de moderne roman in Vlaanderen en zijn ontwikkeling van 1837 tot 1927´. In: Jean Weisgerber, Aspecten van de Vlaamse roman 1927-1960. Van vorm tot betekenis. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1963, p. 9-39. Citaten p. 27 en p. 32.