Menü:

Sprache:

  Nederlands

  Deutsch

  English

     Magyar 

Kontakt:

info@vanclooster.com

    +43 (0)681 1057 38 44    +32 (0)486 72 48 29    +36 (0) 705 41 90 33

 

Dissertation

Links

Dissertation

 

Proefschrift:  Stijn Streuvels en het proza (van het fin de siècle). Aspecten van zijn poëtica

 

In wat volgt, wordt mijn doctorale dissertatie samenvattend voorgesteld. Later kan de lezer mijn tekst hier integraal terugvinden.

 

In mijn dissertatie wordt de poëtica van Stijn Streuvels onderzocht. Vanuit een drievoudig standpunt, waarbij achtereenvolgens het literaire werk, de receptie van dat werk en de auteur ervan centraal worden gesteld, zal worden aangetoond dat Streuvels de vertegenwoordiger was van een ’synthetische’ poëtica. Wegens dit synthetische karakter werd Streuvels’ werk in de ogen van de Van Nu en Straksers modern bevonden: de Brussels-Antwerpse vernieuwers waren van mening dat de geschriften van de West-Vlaming uitstekend aanknoopten bij hun streven naar een nieuwe literatuur. Daarom reserveerden ze niet minder dan een vijfde van alle beschikbare ruimte in hun tijdschrift, het eerste orgaan van het literaire ‘modernisme‘ in Vlaanderen, voor werk van zijn hand. Dit historisch feit is objectief verifieerbaar en daarom belangrijker dan alle mogelijke etiketten die naderhand aan het werk van Streuvels werden toegekend.

De vraag in welk opzicht Streuvels’ teksten pasten bij de literatuuropvattingen die de Van Nu en Straksers voorstonden, is het uitgangspunt van mijn onderzoek. Een noodzakelijke voorwaarde om een begin van antwoord daarop te kunnen zoeken, is een definiëring van de poëtica van Van Nu en Straks. Bij het vele studiewerk dat al aan het tijdschrift werd gewijd, is het opvallend dat over dit onderwerp nog geen diepgaande synthese bestaat. Een ontwerp daarvan beoog ik in hoofdstuk I te geven. Daarin wordt in een eerste fase de voorgeschiedenis van Van Nu en Straks beschreven (I.1), zodat vervolgens kan worden aangetoond waarin het poëticaal vernieuwende van het tijdschrift bestond (I.2). Daartoe baseer ik mij zowel op intern als extern bronnenmateriaal: enerzijds de voornaamste kritische en literaire bijdragen in het blad; anderzijds de voornaamste briefwisseling van de tijdschriftredacteuren.[1]

In hoofdstuk II is de specifieke rol van Streuvels in/voor Van Nu en Straks aan de orde. Na een beschrijving en analyse van Streuvels‘ bijdragen in de periodiek (II.1) wordt achtereenvolgens onderzocht hoe deze teksten en tijdschriftmedewerking werden beoordeeld door de lezer (II.2) en de auteur zelf (II.3). Aan de kant van de lezer wordt zowel gekeken naar de visie van de Van Nu en Straksers (en die van hun tegenhangers in het noorden, de Tachtigers) als van lezers buiten deze kring; daarbij worden zowel recensies als briefwisseling onder de loep genomen. Aan de kant van de auteur vormt correspondentie mijn bron. Steevast wordt welbewust rekening gehouden met het verschil tussen de discoursen in het bronnenmateriaal: briefwisseling bijvoorbeeld heeft een andere status als historische bron dan een recensie. Veel van de correspondentie die ik in dit proefschrift onder de loep neem, wordt voor het eerst bestudeerd.

In hoofdstuk III toets ik mijn onderzoeksresultaten aan cruciale primaire en secundaire bronnen m.b.t. Streuvels‘ schrijverschap na Van Nu en Straks. Er zal blijken dat die sterk in de tijd gespreide en op uiteenlopende discoursen gebaseerde tekstgetuigen in grote mate met elkaar sporen, wat op zijn beurt belangrijke implicaties oplevert voor onze kijk op de poëtica van Streuvels. De grondelementen daaruit zullen zich door Streuvels‘ hele schrijverschap weinig of niet ontwikkelen, zoals dit slothoofdstuk zal aantonen. De opbouw van hoofdstuk III sluit aan bij die van hoofdstuk II: achtereenvolgens wordt gekeken naar hoe Streuvels‘ poëtica werd gerecipieerd (III.1) en hoe de auteur zich zelf over zijn poëtica en de receptie daarvan heeft geuit (III.2). Bestudeerd worden hier enerzijds de reacties van tijdgenoten en correspondenten bij hun Streuvelslectuur (lezersstandpunt); anderzijds beschouwingen, briefwisseling, het memoriaal en het bibliotheekbezit van Streuvels (auteursstandpunt).

Dat Streuvels‘ poëticale opvattingen en praktijk reeds vroeg vastlagen en weinig evolueerden, zal de Streuvelskenner weinig verrassen. Deze dissertatie echter poogt zijn poëtica voor het eerst nauwgezet in te vullen. Streuvels’ literatuuropvatting en -praktijk zullen blijken te steunen op een synthetische visie, die zowel realistisch-naturalistische als symbolistische elementen verenigt en al voorzichtig vooruitwijst naar het (veel radicalere) modernisme dat in de Vlaamse literatuur vanaf 1916 (Van Ostaijen) opgang zal maken. Die centrale thesis wordt in een algemene conclusie (IV) nog eens samengevat.

In een uitgebreide, als illustratie bedoelde, bijlage wordt ten slotte een geannoteerde editie aangeboden van de briefwisseling tussen Stijn Streuvels en Karel van de Woestijne. In deze nog niet bestudeerde brieven komen heel wat van bovengenoemde aspecten ter sprake. De methode van uitgave volgt de regels van de moderne editiewetenschap.



[1] Zowel het interne als externe bronnenmateriaal heeft betrekking op de eerste reeks van het tijdschrift (1893-1894): die was natuurlijk het moment van vernieuwing, terwijl in de eerste reeks ook de belangrijkste poëticale statements verschenen (kritiek en essay). De literaire vernieuwing die in de tweede reeks zal worden voltrokken, zal voor een belangrijk deel op naam van Streuvels komen; in hoofdstuk II zal worden onderzocht hoe diens proza zich verhoudt tot de artistieke en poëticale kaders uitgezet in de eerste reeks. De externe bronnen die ik onderzocht, betreffen de brieven die de redacteuren in de aanloop van het tijdschrift en tijdens de eerste reeks (1890-1894) uitwisselden: deze zijn merendeels (d.w.z. afgezien van enkele brieven die in de loop der jongste twee decennia zijn opgedoken) uitgegeven in: Leen van Dijck, J. Paul Lissens en Toon Saldien, Het ontstaan van Van Nu en Straks. Een brieveneditie 1890-1894. Deel 1: Teksten. Deel 2: Annotaties. Antwerpen: Centrum voor de Studie van het Vlaamse Cultuurleven vzw, 1988. Ook een aantal niet uitgegeven brieven worden in mijn onderzoek betrokken.